ROOISE HISTORIE:
PAUSELIJKE ZOUAVEN (zoeaven) UIT SINT-OEDENRODE: 1866 – 1870

Inleiding
In de tweede helft van de vorige eeuw is Italië zo ongeveer het kruitvat van Europa. Eén van de grootste slachtoffers is paus Pius IX (1846-1878). Tot aan het midden van de vorige eeuw bestaat Italië uit een half dozijn middelgrote staten - waaronder de Kerkelijke Staat, welke heel Midden-Italië beslaat - plus nog een handvol kleine gebiedjes. In de eerste helft van de negentiende eeuw ontstaat in Italië een sterk nationaal bewustzijn, dat tot uiting komt in een streven naar staatkundige eenheid van het land. Als gevolg hiervan dreigt de katholieke kerk een groot gedeelte van haar grondgebied in Italië kwijt te raken. Om zijn troepen aan te vullen doet de paus een beroep op alle katholieke jongeren hem te hulp te komen. Hier begint de geschiedenis van de pauselijke zouaven (of zoeaven), een legertje van ongeveer 11.000 man, waaronder ruim 3.000 Nederlanders. Ook zeventien inwoners van ons dorp nemen tussen 1866 en 1870 deel aan de strijd, waaronder Willem van der Hagen, bekend als Wilhelmke Pap.

vervolg: DEEL II: de zouaven op het slagveld

De meeste vrijwilligers die na de dramatische oproep van de paus als zouaaf naar Rome trekken zijn idealisten en komen uit alle lagen van de bevolking. Ze zijn bereid hun leven te offeren voor de zaak van de paus. Na inlijving te Rome worden de kersverse zouaven door voornamelijk Frans en Belgisch kader getraind om vervolgens op verschillende versterkingsposten in de Kerkelijke Staat te kunnen worden ingezet. Hun dagen zijn gevuld met marsen en oefeningen.

Zijn het in het begin alleen Franse en Belgische vrijwilligers die de paus te hulp schieten, vanaf 1864 komt ook de stroom Nederlanders op gang. Dat is mede te danken aan de inspanningen van pater De Kruijf uit Amsterdam en aan wervende artikelen in de katholieke pers. Aanvankelijk blijft het een tijdlang betrekkelijk rustig rond de Kerkelijke Staat. Maar in 1866 besluit de Franse keizer Napoleon III, die zich tot dan toe heeft opgeworpen als beschermer van de paus, zijn troepen uit Italië terug te trekken omdat hij een aanval van Bismarck vreest.

Vanuit Sint-Oedenrode vertrekken de eerste zouaven pas in januari 1867 (Adriaan van Dinter, Willem van der Hagen en Petrus van Hal). In de zomer van dat jaar krijgt Italië te kampen met cholera. Na Rome wordt in augustus Albano door deze epidemie geteisterd. Ruim veertig dappere zouaven, waaronder twintig Nederlanders, verzorgen de zieken en begraven de doden. De paus beloont hen met een speciale gouden medaille met als opschrift 'Bene Merenti' ('voor hem die zich verdienstelijk maakte'). In het najaar van 1867 komt er een einde aan de rustpauze in de oorlog van Victor Emanuel en Garibaldi tegen de paus. In oktober zijn er schermutselingen tussen Garibaldisten en pauselijke zouaven over het bezit van de grensplaats Bagnorea. Een week later vindt weer een treffen plaats, nu bij Monte Libretti. Beide malen behalen de pauselijke legers de overwinning op de roodhemden van Garibaldi. Hier sneuvelde Pieter Janszoon Jong, de held van Lutjebroek op 03 oktober 1867.

Kort daarop behalen de zouaven veel roem in de slag bij Mentana. Zeer velen sneuvelen, doch de slag wordt gewonnen. De paus laat voor alle manschappen die in Mentana meegevochten hebben een speciaal Mentana-kruis slaan. Op de voorzijde staan de woorden 'Fidei et Virtutin' ('aan trouw en dapperheid'). Dit zilveren Mentana-kruis wordt ook uitgereikt aan vijf Rooise zouaven: Cornelus Baks, Hendrikus van Berkel, Theodorus van de Bogaard, Adriaan van Dinter en Wilhelmus van Hulst.

In de periode tussen november 1867 en september 1870 is het weer rustig en stellen de zouaven orde op zaken in Rome, zij jagen op roversbenden en houden grote manoeuvres en kampementen in de bergen. 

 

(bron: Heemschild 1995-3 - mw. Bep van Lieshout-Happe †)

wordt vervolgd; red.